zondag 16 september 2007

Een verschrikkelijk etmaal

Tussen het salueren, de salvo's en het trompetgeschal door presenteerde de Damse stadsdichter deze voormiddag in Moerkerke zijn derde stadsgedicht, in aanwezigheid van prominenten en veteranen. Na de minuut stilte en de voordracht was het tijd om de ballonnen (met de handgeschreven gedichten) op te laten. Er was echter een probleempje: de koorden aan de ballonnen waren in elkaar verstrengeld, het bleek een gordiaanse knoop. Onmachtig om de knoop te ontwarren liet de stadsdichter, samen met enkele kinderen, de hele tros vliegen. De wind blies richting Nederland. Misschien wordt een Nederlander straks de gelukkige bezitter van 20 originele handgeschreven stadsgedichten?

Een verschrikkelijk etmaal
slag om ’t Molentje, 1944

We willen van het juk af
de druk op dit gehucht
is niet meer te harden,
we horen flarden van hoop
dat er vrijheid in aantocht is.

Brengt Canada ons Kanaän?
De groetende soldaten zijn nog veraf
en groeven verschijnen in onze gezichten
wanneer we tussen de granaten
Duitse bevelen horen, geweren richten
zich naar Moerkerke,
de kerk in het vizier.

Er is een brug te ver,
er is geen overkomen hier
(er staat ons een landing voor de geest).
De versperring werkt, de bevrijders
worden schietschijf, de bevolking
wordt gekelderd en kermt in het donker.

Op straat krijgt menig jonker
een dolk in het lijf,
de wijk rookt en ruikt naar lijken
van tommies en grijze vesten.
Wie zijn de besten?
Ze zijn gelijk in de dood.

Het water dekt de doden toe
en de schade aan het land:
immer wasser
maar de herinneringen
spoelen niet weg of lossen niet op.

Weken later is het eindelijk geklonken.
Maar tot groot jolijt
leidt de bevrijding niet:
onze bloemen zijn verdronken.

Geen opmerkingen: