zondag 5 augustus 2012

gedichten

uit Paniek in het Circus (PoëzieCentrum, 2003), ook opgenomen in Komrij's Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten:

Black beauty

Op zekere nacht
kwam hij
op onverklaarbare wijze
te voorschijn
uit een diep en donker meer.

Zijn vacht blonk toen hij daar stilstond.
Hij liet zijn manen slingeren in de wind
om dan droog en geruisloos
te verdwijnen in het woud.

Hij was er vreemd
en van de dieren die hij zag
kende hij er geen bij naam.

Neen,
ook bij de mens (die hij meteen herkende)
was hij niet thuis.


uit De martelgang (PoëzieCentrum, 2006):

Dal der beenderen

Dit is wat rest:
er rust een schat van een volk in dit dal als zalmen
bijeengedreven om te sterven, de laatste psalmen
klonken onder gemekker en gekerm.

Zouden we het kunnen wekken en herschikken
tot een ordelijk leger dat mordicus in elke steeg
zou opereren om met wortel en tak te verschroeien
nu eindelijk uiteindelijk de verschrikkelijke vijand?

Zouden we een knecht kunnen inhuren om uren
in de woestijn te sorteren en vervolgens
huid, vlees en spieren aan te hechten, zenuwpezen
te vlechten tot mannen met moordende manieren?

Zouden we vergeven wat hen is aangedaan
of laten we hen opstaan met goud in de mond
verdiend op de rug van de menigte aan de band,
het bloed en het zweet van de tot slaaf gemaakte staten?

We zijn nog in beraad,
zolang knaagt het geweten.



Geen opmerkingen: