IM
De bombast krast in de gave polder onherroepelijk, begraaft het have en goed van de streek voor een haven met mastodonten, niet met masters van vroeger die sierlijk in een glorieus verleden gleden – ze komen niet meer terug. We moeten ophoepelen en ophoesten de tol, we zetten het onze kinderen betaald. Waar is de voorspoed als het erfgoed bloedt, als het bloeien op de berm voorgoed ophoudt en men de herder zegt ga verder ? De natuur wordt een dikke pens. We lopen vast en zijn omsingeld in onze dorpen. Het water verzilt, uur na uur, dreigt met de zee die steeds hoger wil en wilder wordt. We verzuchten dat het geen klucht is maar bittere ernst dat de mens verziekt door het stof in de lucht. Waar is het vangnet, de bomen? Mooie rijen staan in de herinnering, in flarden van dromen.